Veelgestelde vragen

  1. Ja. Regelmatig staat in de lesbeschrijving dat wanneer je merkt dat kinderen moeite hebben met het correct en/of vlot herkennen van de letters, je hier in de verlengde instructie of begeleide verwerking aandacht aan moet besteden. Bij dat lesonderdeel staan dan bijvoorbeeld flitsoefeningen met de letterkaartjes beschreven. In de nieuwe software zijn ook oefeningen opgenomen voor het automatiseren van de letterkennis.
  2. Het uitproberen van de methode was vooral gericht op twee punten. In de eerste plaats een verschuiving in de methodiek: Wat is het effect van het vervroegen van de elementaire leeshandeling met die letters, die uitdrukkelijk zijn behandeld?

    Overtuigend blijkt dat de leerlingen door deze verschuiving sneller meer woorden kunnen lezen. Een belangrijke voorwaarde is echter dat de herkenning van de letters (grafemen) zo intensief wordt geoefend, dat de koppelingen tussen grafemen en fonemen automatisch verlopen. Dit blijkt voor vrijwel alle kinderen haalbaar te zijn. De leeswoordenschat wordt door deze werkwijze sneller uitgebreid. Voor goede leerlingen is dat geen probleem, maar bij zwakke leerlingen kan dit aanleiding geven tot spellend lezen indien de woordherkenning niet intensief wordt geoefend. Dat probleem kan je opsporen meer met behulp van wisselrijen. Door deze werkwijze komt men de zwakke lezers eerder op het spoor, waardoor de kans op later optredende uitval wordt beperkt.

    In de tweede plaats is nagegaan welke vormen van differentiatie met het nieuwe materiaal in de praktijk haalbaar zijn. In de eerste weken is maar een zeer beperkte mate van differentiatie mogelijk. In die weken wordt vooral veel aandacht besteed aan het realiseren van de voorwaarden voor differentiatie. Zo moeten de kinderen allerlei materialen leren kennen en moeten ze leren om een wat langere periode zelfstandig te werken. In de tweede plaats is nagegaan welke vormen van differentiatie met het nieuwe materiaal in de praktijk haalbaar zijn. In de eerste weken is maar een zeer beperkte mate van differentiatie mogelijk. In die weken wordt vooral veel aandacht besteed aan het realiseren van de voorwaarden voor differentiatie. Zo moeten de kinderen allerlei materialen leren kennen en moeten ze leren om een wat langere periode zelfstandig te werken.

    Na de tweede of de derde week blijken de meeste leerkrachten in staat te zijn te werken met flexibele groepjes (verlengde instructie, raket- en zonmaterialen). Er treden echter duidelijke verschillen op in de mate waarin gedifferentieerd wordt en de wijze waarop dit gebeurt. Dit is afhankelijk van een aantal factoren die van klas tot klas verschillen. Veilig leren lezen schrijft geen vorm van differentiatie voor, maar maakt een verantwoorde keuze mogelijk. Veilig leren lezen streeft een convergente differentiatie na: gelijke hoge doelen voor alle leerlingen.
  3. Het digitaal schoolbord is in België enorm in opmars. Om de mogelijkheden van deze borden ten volle te benutten is er digibordsoftware ontwikkeld, de Leerkrachtassistent, bij de methoden Veilig leren lezen en Estafette nieuw, maar ook bij de rekenmethode zWISo.
  4. We adviseren om kinderen na kern 2 niet meer in de zongroep in te delen. De zonmaterialen hebben namelijk een eigen opbouw door de kernen heen; halverwege instappen is niet wenselijk. De kinderen die zich snel ontwikkelen, zijn het meest gebaat bij het gebruik van de raketmaterialen, die een grotere uitdaging bieden, maar er tevens voor zorgen dat er geen gaten in de leesontwikkeling vallen.
  5. Het betreft hier snelle leerlingen die behoefte hebben aan uitdagende oefeningen. Deze kinderen volgen de instructie en de verwerkingsopdrachten van de maangroep en maken daarnaast veelvuldig gebruik van de raketmaterialen. Het is de bedoeling dat deze kinderen daarmee hun tijd op een effectieve manier kunnen gebruiken en dat ze niet worden afgeremd in hun leesontwikkeling. Het is niét de bedoeling dat er een subgroep wordt gevormd van 'raketkinderen'.
  6. Om goed om te kunnen met normen moet je onderscheid maken tussen twee soorten toetsen (controletaken):

    (1) Beheersingstoetsen (of doelstellinggebonden toetsen) gaan na of bepaalde doelen al dan niet bereikt zijn. Bij deze toetsen wordt als algemene richtlijn (norm) aangehouden dat minstens 80% van de leerlingen 80% van de items goed moet maken. Als dit niet zo is, behoor je je vragen te stellen omtrent de afstemming (kwaliteit) van je onderwijs aan zijn groep kinderen. De controletaken in de werkboekjes van Veilig leren lezen behoren bijna allemaal tot dit type. Met deze toetsen kun je onvoldoende onderscheid maken tussen middelmatige, goede en zeer goede leerlingen. Wel kan je er de zeer zwakke leerlingen mee op het spoor komen.

    (2) Vorderingentoetsen (niveau-toetsen) zijn bedoeld om bestaande verschillen in ontwikkeling (vorderingen) bij de leerlingen zo duidelijk mogelijk in kaart te brengen. Dit soort toetsen bevat daarom soms items die nog niet beheerst hoeven te worden of die nog meer tijd vragen dan (uiteindelijk) bij beheersing is toegestaan. Bij leesvaardigheid blijkt tijd een heel belangrijk criterium te zijn om verschillen tussen leerlingen zichtbaar te maken. Vandaar dat bij controletaken of toetsen voor technisch lezen bij voorkeur normen worden gebruikt die gebaseerd zijn op het aantal goede items die binnen een bepaalde tijd (1 of 1,5 minuut) worden gelezen. Het aantal gemaakte fouten zegt veelal veel minder over de niveauverschillen tussen je leerlingen. Wel is het zo dat dit gegeven bij zwakke leerlingen wel relevant is. De normen bij vorderingentoetsen worden afgeleid van gegevens die worden verzameld bij een onderzoeksgroep. De samenstelling van die onderzoeksgroep kan ver uiteenlopen.

    Ideaal is dat de onderzoeksgroep een getrouwe afspiegeling is van alle leerlingen en leerkrachten waarvoor de toets bedoeld is. Er bestaan grote verschillen tussen leerlingen en leerkrachten. Bij de samenstelling van de onderzoeksgroep moet hiermee rekening worden gehouden. Het is heel moeilijk een onderzoeksgroep samen te stellen die een getrouwe afspiegeling is van de gehele groep. Leerkrachten die bereid zijn aan een onderzoek deel te nemen, zullen gemiddeld meer gemotiveerd zijn om goed leesonderwijs te geven dan leerkrachten die daartoe niet bereid zijn. Het ligt voor de hand aan te nemen dat gemotiveerde leerkrachten gemiddeld betere resultaten zullen behalen dan leerkrachten die minder gemotiveerd zijn. Als dat zo is, heeft dat gevolgen voor de normen. Daardoor kan het gebeuren dat de normen die berusten op verschillende onderzoeken aanzienlijk uiteenlopen.

    Toch zijn dergelijke normen van belang. In de eerste plaats om verschillen binnen je eigen groep zichtbaar te maken. In de tweede plaats kun je een vergelijking maken tussen je eigen groep en de onderzoeksgroep waarop de normen zijn gebaseerd.
  7. De resultaten waren zeer positief! Uit een onderzoek onder de eerste gebruikers (in 2003/2004) bleek dat de normen die werden gehanteerd bij de 1e-maanversie strenger mogen worden gesteld. Vanaf 2009 zijn de landelijke normen aangescherpt. De behaalde resultaten met Veilig leren lezen 2de maanversie blijven ook dan nog steeds positief.
  8. Het leerlingvolgsysteem van het Cito is grofmazig en bestaat uit zogenaamde normtoetsen die zo geconstrueerd zijn, dat verschillen tussen de leerlingen duidelijk aan het licht komen. Niet alle items van die toetsen behoeven door alle leerlingen beheerst te worden. Het volgsysteem van Veilig leren lezen 2de maanversie is fijnmazig en bestaat voor een deel uit beheersingstoetsen, gebaseerd op de minimumdoelen, en voor een deel uit normtoetsen. In verband met het vroegtijdig signaleren, diagnosticeren en remediëren, schiet het Cito-leerlingvolgsysteem te kort, omdat het te grofmazig is. Daar komt nog bij dat de normen van het Cito strikt gekoppeld zijn aan het moment van afname. Wat leerjaar 1 betreft, is de keuze van de tijdstippen waarop de Cito-toetsen genormeerd zijn vaak minder gelukkig.

    Ook bij de DMT hielden scholen zich vaak niet aan het tijdstip van afname, waardoor een verkeerd beeld ontstond bij de interpretatie. Psychometrisch zijn de toetsen van het Cito van hoge kwaliteit, maar door genoemde omstandigheden zijn zij voor het nauwkeurig volgen van de leerlingen in leerjaar 1 minder geschikt. Een uitzondering wordt gemaakt voor de DMT. Omdat de normen van deze toets door interpolatie aangepast kunnen worden aan het tijdstip van afname, wordt de DMT bij de Veilig leren lezen 2de maanversie wel gebruikt. Je kan er natuurlijk wel voor kiezen om naast het volgsysteem van Veilig leren lezen 2de maanversieook de toetsen van het Cito af te nemen. Je dient je dan wel houden aan het juiste tijdstip, zoals aangegeven door het Cito.
  9. De keuze voor de titel Veilig leren lezen is min of meer toeval geweest. De eerste versie van de methode verscheen in 1960 onder de titel Zo leren lezen. De keuze voor deze titel was wel bewust. Voor 1960 was er in Nederland namelijk een methodestrijd bij het aanvankelijk leesonderwijs. Moest dat gegeven worden via de analytische-synthetische benadering of volgens de globale benadering? Mommers heeft in 1958 - na bestudering van ruim 20 verschillende methodes die toen in Nederland werden gebruikt - de principes van de structuurmethode uitgewerkt en vervolgens vertaald in een methode. Niet analytisch-synthetisch, niet globaal, maar: Zo leren lezen. Het 'zo' verwijst hierbij dus naar de principes van de structuurmethode. De methode Zo leren lezen was een methode voor het katholieke onderwijs.

    Die methode was zo'n groot succes dat vanuit het onderwijs, met name vanuit schoolbegeleidingsdiensten, het verzoek kwam om ook een algemene versie te ontwikkelen. Voor die algemene versie moest een andere titel worden bedacht. Toos Koedam had de omslagen getekend voor de leesboekjes: Een kind met een grote zonnebloem in de handen. Begin jaren 60 was ook de periode waarin men bij scholen ging werken met klaar-overs om kinderen veilig te laten oversteken als ze naar school gingen. Een van de auteurs merkte bij het zien van de illustratie voor de omslagen op: "Het lijkt wel een klaar-overtje om kinderen veilig te laten oversteken". Waarop een andere auteur aansloot met: "Je hebt gelijk. Wat vinden jullie van: Veilig leren lezen?" En zo was de titel Veilig leren lezen geboren.
  10. Deze termen hebben te maken met het differentiatiemodel van Veilig leren lezen. Maan staat voor de kinderen die bij de start van leerjaar 1 nog niet kunnen lezen. Kinderen in deze groep volgen de methode. Met Zon bedoelen we een aanpak die geschikt is voor kinderen die al kunnen lezen bij de start van leerjaar 1. Zij werken zelfstandig op hun eigen niveau met zon-leesboekjes en zon-werkboekjes, die aansluiten bij het thema van de kern. Ster staat voor een aanpak die u kunt kiezen voor kinderen binnen de maangroep die moeite blijken te hebben met lezen. Deze kinderen krijgen verlengde instructie of preteaching en begeleide inoefening. Eventueel maken zij herhalingsopdrachten of (een deel van de) verdiepingsopdrachten. Verder volgen zij de methode, net als de maangroep. Raket-activiteiten zijn bedoeld voor kinderen die zich binnen de maangroep snel ontwikkelen. Zij krijgen na de verwerking iets uitdagendere vervolgopdrachten, waarbij ze letters kunnen gebruiken die nog niet expliciet zijn aangeboden. De snelle ontwikkeling van deze kinderen is geen doel op zich.
  11. Ja, er is zeker aandacht voor leesstrategieën, maar deze worden niet expliciet aan de leerlingen aangeboden. Het is namelijk gebleken dat sommige jonge kinderen de neiging hebben deze te generaliseren en ze ook inzetten wanneer ze niet van toepassing zijn.
  12. Alleen op basis van toetsgegevens is dat niet mogelijk. In Veilig leren lezen 2de maanversie wordt veel aandacht besteed aan de verlengde instructie om te voorkomen dat risicokinderen uitvallers worden. Uitvallers zijn die leerlingen die niet meer voldoende kunnen profiteren van de instructie aan de gehele maangroep en de oefeningen die daarop volgen. Een leerkracht stemt zijn klassikale instructie af op het niveau van zijn klas. Dat niveau kan uiteenlopen omdat de grootte van de klas en de samenstelling daarvan varieert. Ook de effectieve leertijd die wordt geïnvesteerd, kan uiteenlopen.

    Daardoor kan het voorkomen dat een bepaalde kind in de ene klas wel een ster-aanpak nodig heeft, maar dat ditzelfde kind in een andere klas (van lager gemiddeld niveau) zonder problemen de instructie van de grote groep kan volgen. De beslissing of een bepaald kind op een bepaald moment een ster-aanpak nodig heeft, dient altijd gerelateerd te zijn aan het niveau waarvan het kind deel uitmaakt. Daarnaast kunt u als richtlijn aanhouden dat kinderen die minder dan 80% van de controletaken in het werkboekje goed hebben, in aanmerking komen voor de ster-aanpak. Wanneer dit echter meer dan 20% van uw leerlingen betreft, dan is dit een signaal om uw klassikale instructie aan te passen.
  13. Als leerlingen zelfstandig oefenen, is het gewenst dat de opdrachten niet te moeilijk maar ook niet te gemakkelijk zijn. Daarom is het computerprogramma zo gemaakt dat leerlingen oefeningen krijgen aangeboden die aangepast zijn aan hun niveau. Om dit mogelijk te maken, zijn er in het computerprogramma toetsblokken (controletaken) opgenomen. Op basis van de resultaten die leerlingen op deze controletaken (toetsblokken) behalen, krijgen de leerlingen automatisch oefeningen aangeboden die bij hun niveau passen. De resultaten die behaald worden bij het toetsblok in een bepaalde kern, zijn bepalend voor het niveau (aanpak) bij de eerstvolgende kern. De toetsblokken zijn in geen geval bedoeld om na te gaan of een leerling buiten het computerprogramma een ster-aanpak (verlengde instructie) of een maan-aanpak nodig heeft.

    Ook voor het gebruik van raket-materialen geven de toetsblokken geen uitsluitsel. Momenteel zijn er nog onvoldoende onderzoeksgegevens bekend om te kunnen aangeven wat de relatie is tussen de toetsblokken van het computerprogramma en de andere controletaken (toetsen) bij Veilig leren lezen.
  14. Nee, je kan gewoon gebruik blijven maken van de stempelboekjes en stempelopdrachten van de 1ste maanversie van Veilig leren lezen(1991).
  15. De herfstsignalering van de Veilig leren lezen 2de maanversie volstaat als je je aan de regels van het Protocol Leesproblemen en Dyslexie (PLD)wilt houden. Je hoeft daarnaast dus niet nog eens de toetsen van het PLD af te nemen. Het PLD kent een bepaalde structuur voor het volgen van de leervorderingen van de leerlingen in het aanvankelijk leesonderwijs. Het leerlingvolgsysteem van de Veilig leren lezen 2de maanversie past helemaal binnen deze structuur. De volgende toetsmomenten staan hierbij centraal: herfstsignalering (na kern 3), wintersignalering (na kern 6), lentesignalering (na kern 8) en eindsignalering (na kern 11).

    De invulling van het PLD is bovendien methodespecifiek. Dit betekent dat er bepaalde toetsen werden afgenomen bij de 1ste maanversie van Veilig leren lezen (versie 1991) en andere toetsen bij andere methodes. Het PLD heeft (nog) geen concrete methodespecifieke invulling voor Veilig leren lezen (2de maanversie). De methode was er namelijk niet toen het PLD werd ontwikkeld. In Veilig leren lezen 2de maanversie zijn wel methodegebonden controletaken opgenomen die passen binnen de structuur van het PLD.
  16. Basisstof heeft betrekking op de doelen die door alle leerlingen op dat moment bereikt moeten worden. Extra stof gaat verder dan die doelen. In de eerste zes kernen worden per kern letters aangeleerd die op het einde van die kern beheerst moeten worden. Dat wil zeggen dat zij niet alleen correct, maar ook snel en zonder inspanning herkend moeten worden. Alle kinderen krijgen als basisstof woorden aangeboden, die bestaan uit letters die alle kinderen op dat moment moeten kennen. Bij de extra stof worden ook woorden gebruikt die bestaan uit letters die wel in de structureerwoorden voorkomen, maar nog niet beheerst hoeven te worden. Het zogenaamde raketmateriaal vormt daardoor een uitdaging voor de kinderen die al verder zijn dan de basisstof.
  17. Uitgangspunt is dat alle 12 kernen in leerjaar 1 behandeld worden. Wat de jaarplanning betreft, worden aan de eerste kern 4 onderwijsweken besteed en aan alle overige kernen telkens 3 weken. Het totale onderwijsprogramma van de nieuwe versie van Veilig leren lezen beslaat dus 37 schoolweken. Op de pagina Jaarplanning vind je een planning voor het lopend schooljaar.

    Bij de eerste zes kernen zijn per woord gemiddeld 2 onderwijsdagen gepland. Scholen verschillen echter onderling. Uitgaande van bovenstaande algemene richtlijn, zal je zelf moeten bepalen hoeveel tijd nodig is om deze planning te kunnen realiseren. Voor een deel hangt dit af van de leerlingen, de grootte van de groep, jouw ervaring en personele faciliteiten. Heb je veel kinderen uit achterstandssituaties in je groep, dan geef je waarschijnlijk een hoge prioriteit aan het lees-/taalonderwijs, omdat dit voor de verdere ontwikkeling van de leerlingen cruciaal is. Naast het aantal uren speelt de intensiteit of effectiviteit waarmee de tijd gebruikt wordt een aanzienlijke rol. Het is daarom niet mogelijk een exact aantal uren voor lees/taalonderwijs aan te geven, dat voor jouw school geldt. Afhankelijk van het onderwijsnet wordt gemiddeld 7 uur taal/leesonderwijs gegeven in leerjaar 1. Het technisch schrijfonderwijs is nauw verbonden met het leren lezen, wat ook weer van invloed is op de tijdsplanning.
  18. Het terugstromen van een zon-kind naar een maan-kind komt het meest voor bij kinderen die zijn blijven zitten. Een aantal van die 'betere zittenblijvers' kunnen aanvankelijk gebruik maken van zonmaterialen, maar het tempo waaraan de moeilijkheidsgraad van de zonmaterialen stijgt, kunnen ze meestal niet bijhouden. Deze kinderen moeten dan bijtijds terugstromen naar het maanniveau. Wel zijn zij dan vaak in staat om nog een tijd gebruik te maken van de raketmaterialen. Maar na verloop van tijd krijgen zij daar meestal ook moeite mee.

    Al zijn er natuurlijk altijd uitzonderingen. Jouw observatie is daarom van cruciaal belang. Als je ziet dat een kind met de zonmaterialen onvoldoende zelfstanding kan werken en niet gemotiveerd bezig kan zijn, dan is aansluiting bij de maangroep aan te bevelen. Op de tweede plaats komen pas de toetsgegevens. Omdat de zonboekjes gekoppeld zijn aan de AVI-niveaus, is het nuttig om de AVI-toetskaarten te gebruiken om na te gaan of je leerling de aangegeven niveaus behaalt. In het algemeen is het aan te bevelen om bij zonkinderen bij de signaleringen ook de DMT af te nemen.

    Bij de wintersignalering is het vervolgens aan te raden om naast kaart 1 van de DMT ook kaart 2 af te nemen en bij de lentesignalering alle drie de kaarten. Als de scores op de DMT in de loop van de maanden niet stijgen, is dat voor jou een signaal dat het tempo waarin de moeilijkheidsgraad van de zonboekjes stijgt, voor de desbetreffende leerlingen te snel is. Als je goed observeert, zal dit in de meeste gevallen al eerder worden opgemerkt.
  19. Veilig leren lezen wordt het langst en het meest gebruikt Van de huidige methoden voor leren lezen wordt Veilig leren lezen het langst gebruikt en bovendien is deze methode door het merendeel van de Vlaamse en Nederlandse scholen in gebruik. Aangezien er concurrentie is van andere methoden, moeten er redenen zijn waarom scholen voor deze methode kiezen. Gebruikers zijn over het algemeen zeer tevreden over de leerresultaten en gebruiksvriendelijkheid van deze methode.

    Deze methode blijft zich ontwikkelen Een belangrijke reden is ongetwijfeld de dynamiek van de methode. Gedurende 42 jaar is er voortdurend aan de methode gewerkt. Niet alleen door auteurs, maar ook door begeleidingsinstanties en vernieuwingsprojecten. Steeds weer opnieuw werd er ingespeeld op veranderingen en nieuwe behoeften in de praktijk.

    Wisselwerking tussen theorie, onderzoek en praktijkervaring De evolutie van de methode is te danken aan de wisselwerking tussen theorie, onderzoek en praktijkervaring. Vergelijkend onderzoek naar de effecten van leermethoden is methodologisch geen eenvoudige zaak. Eén van de lastige punten is representativiteit en/of vergelijkbaarheid van de onderzoeksgroepen. Als daaraan niet is voldaan, kan men resultaten niet vergelijken of generaliseren. Uit de belangrijkste onderzoeken, waarbij Veilig leren lezen betrokken was, bleek verschillende malen dat scholen die Veilig leren lezen gebruiken, de minste uitvallers hadden.

    Veilig leren lezen sluit aan bij ontwikkelingen in onderwijstechnologie De laatste decennia hebben er veel ontwikkelingen plaatsgevonden in de onderwijstechnologie. Uit ervaring bleek dat de computer een effectief hulpmiddel kan zijn, vooral bij differentiatie in het onderwijs. Een voorwaarde is wel dat men moet beschikken over goede educatieve software. Software die geïntegreerd is in de gebruikte leermethode, heeft daarbij de voorkeur. Zowel de boom-versie, de 1ste maanversie, Veilig in stapjes en de nieuwe versie Veilig leren lezen bieden aansluitende software. Ook internet biedt veel mogelijkheden: het verspreiden van recente informatie, het versterken van de communicatie tussen auteurs, uitgever en gebruikers, onderlinge communicatie tussen gebruikers,…. In dit verband verdienen verschillende fora op internet aandacht.

    Aandacht voor de professionalisering van leerkrachten In handleidingen bij Veilig leren lezen is altijd veel aandacht besteed aan achtergronden van het leren lezen, zodat leerkrachten niet alleen uitvoeren wat in het praktijkgedeelte wordt vermeld, maar ook inzicht verwerven in het doel en de aard van de verschillende onderwijs- en leeractiviteiten. Daardoor wordt zelfstandigheid vergroot en zijn ze beter in staat om hun onderwijs aan te passen aan concrete situaties.

    Fijnmazig leerlingvolgsysteem: signaleren, diagnosticeren en remediëren In het laatste decennium wordt ook door de inspectie de wenselijkheid benadrukt om vorderingen van leerlingen systematisch bij te houden m.b.v. een leerlingvolgsysteem. De meeste leerlingvolgsystemen zijn betrekkelijk grofmazig. Een fijnmazig volgsysteem geeft daarentegen meer mogelijkheden om tijdig problemen te signaleren en op te vangen. Vooral na 1980 is bij Veilig leren lezen geleidelijk een fijnmazig leerlingvolgsysteem ontwikkeld m.b.v. toetsen en controletaken. Als aanvullend materiaal voor moeilijk lerende kinderen werd jarenlang Stap voor Stap gebruikt. Bij de maanversie werd dit vervangen door Veilig in stapjes. In de 2de maanversie krijgen moeilijk lerende kinderen verlengde instructie, begeleide inoefening en preteaching. Veilig in stapjes, en het bijbehorende computerprogramma is naast de nieuwe versie overigens nog uitstekend te gebruiken voor kinderen die extra oefening nodig hebben.
  20. We streven ernaar dat alle kinderen minimaal de basisdoelen halen. Voor technisch lezen is dat een beheersingsniveau van AVI 2 / een instructieniveau E3. Omdat de kernen 11 en 12 al op AVI 3/4 (M4) niveau zijn geschreven, halen veel kinderen een hoger doel. Kinderen die werken met zon-materialen kunnen aan het eind van het schooljaar AVI 5 bereiken, maar dit is beslist niet een doel dat per se gehaald moet worden.
  21. Ja, dat kan. Deze kinderen kunnen dan eventueel met raketmaterialen extra worden uitgedaagd.
  22. De mate waarin je differentieert en de wijze waarop dat gebeurt, is afhankelijk van een aantal factoren, zoals: - de mogelijkheden en de voorkeuren van de klasleerkrachten (denk aan duobanen); - de omvang en inrichting van het klaslokaal en het gebouw; - de materiële mogelijkheden en beperkingen (leermiddelen, bijvoorbeeld het aantal computers); - en de mogelijkheden en beperkingen van de methode. Als een methode niet voorziet in materialen waarmee de leerlingen zelfstandig en doelgericht kunnen werken, is differentiatie maar in beperkte mate mogelijk. Bij de Veilig leren lezen 2de maanversie zijn al zeer veel materialen beschikbaar waarmee kinderen zelfstandig kunnen werken, zoals de speelleesset en de computerprogramma's.

    De Veilig leren lezen 2de maanversie biedt drie varianten van differentiatie aan, waarbij de nadruk ligt op convergente vormen. De voorkeur gaat uit naar die vorm, waarbij ruimte wordt geschapen voor verlengde instructie en oefening van de risicokinderen en waarbij ook de snelle kinderen door middel van extra materialen worden uitgedaagd. Om dit mogelijk te maken, zijn de werkboekjes zo samengesteld dat kinderen al spoedig 15 tot 20 minuten zelfstandig kunnen werken.

    De computerprogramma's bij de 2de maanversie van Veilig leren lezen sluiten nog beter aan bij de diverse kernen dan in het verleden. Kiest een school voor een minimale vorm aan differentiatie, dan zijn niet alle differentiatiematerialen noodzakelijk. De methode benadrukt het belang van een zorgvuldige klassikale instructie. Dit is immers een belangrijke voorwaarde voor het zelfstandig werken. Daarnaast worden flexibelere groepjes gevormd voor extra instructie en begeleiding. Dit is in overeenstemming met wat onderzoeksresultaten over de effectiviteit van groeperingsvormen leren.
  23. Het betreft leerlingen die in staat zijn om klankzuivere woorden van het type medeklinker-klinker-medeklinker zelfstandig te lezen, waarbij deze woorden in de meeste gevallen niet eerst gespeld moeten worden. Dit is een vrij strenge norm, maar als kinderen dit nog niét kunnen, kan men hen beter de instructie van de grote groep laten volgen om te voorkomen dat er hiaten in de leesontwikkeling ontstaan. Snelle kinderen kunnen in de tijd die zij over hebben, gebruik maken van de raketmaterialen. Na elke kern controleert de leerkracht of kinderen die met de zonmaterialen werken, daar goed mee verder kunnen. Is dat niet zo, dan laat men deze kinderen aansluiten bij de grote maangroep en zullen deze met vrucht gebruik kunnen maken van de raketmaterialen. We hebben daar geen aanwijzingen voor opgenomen in de handleidingen; alleen in kern 1 is er een toets opgenomen voor het onderscheiden van zonleerlingen. Onze overweging was dat zonleerlingen de minimumdoelen ruim beheersen en dat leerkrachten alleen moeten toetsen waar het nodig is. Ook wilden we voorkomen dat we door het stellen van normen of concrete doelen uitvallers binnen de zonlijn zouden creeëren, die vervolgens weer extra hulp zouden moeten krijgen.
  24. De laatste jaren is het steeds duidelijker geworden dat het voorkomen van leesmoeilijkheden effectiever is dan het remediëren. Hoe vroeger gesignaleerd wordt dat een leerling risico loopt leesmoeilijkheden te krijgen en hoe eerder op deze signalering adequate actie (interventie) wordt ondernomen, hoe groter de kans op succes is. Het Protocol Dyslexie is gebaseerd op dit inzicht. Vroegtijdige signaleringen zijn gebonden aan de methode die bij het leesonderwijs wordt gebruikt. De auteurs van het Protocol geven dan ook methodegebonden richtlijnen. Dit is onder meer gebeurd bij de 1ste maanversie van Veilig leren lezen. Het was voor hen echter niet mogelijk concrete richtlijnen te geven voor de 2de maanversie van Veilig leren lezen, omdat men toen nog niet beschikte over voldoende onderzoeksgegevens.

    De auteurs van de 2de maanversie van Veilig leren lezen hebben daarom onderzoek gedaan, waardoor het mogelijk is om op verantwoorde manier de nodige signaleringen uit te voeren. Deze signaleringen staan beschreven in de kopieermap bij de kernen 3, 6, 8 en 11 en in de handleidingen bij de betreffende kernen. De manier waarop de vorderingen van de leerlingen gevolgd (kunnen) worden, is zelfs fijnmaziger dan bij het Protocol Dyslexie. Met name de controletaken na elke kern bij Veilig & vlot en de observatietaken op pagina 16 van de eerste vijf leesboekjes geven extra informatie die relevant is voor de hulp die aan risicokinderen gegeven dient te worden. De actuele normen van dit leerlingvolgsysteem die naar aanleiding van dit onderzoek beschikbaar zijn, vind je op de website.
  25. Dit heeft te maken met het tijdstip van de afname van deze toetsen. De normen van de Cito-toetsen zijn gebonden aan de datum van de ijking. Deze komt vaak niet overeen met het moment dat zij in de kernen aan de orde komen. Bovendien is de spellingtoets van het Cito een zogenaamde normtoets (en dus geen criterium- of beheersingstoets) en bevat de toets items die nog niet beheerst hoeven te worden. Wil je beide toetsen toch afnemen, dan is daar niets op tegen. Het kan heel zinvol zijn als je ook in leerjaar 1 het leerlingvolgsysteem van het Cito wil volgen. Je dient dan wel strikt houden aan het juiste afnametijdstip.
  26. Aan te bevelen is om op de vier signaleringsmomenten (na de kernen 3, 6, 8 en 11) toetsgegevens te verzamelen. In aanmerking komen daarvoor de drie leeskaarten van de DMT. Ook de AVI-toetskaarten zijn geschikt. Bij toepassing van de normen dien je wel rekening te houden met het aantal onderwijsweken. Aangepaste normen van de DMT zijn te vinden in de rubriek Evaluatie van de vorderingen -> actuele normen. Wil je na elke kern de voortgang controleren, dan kan je de controletaken in de kopieermap bij Veilig & vlot gebruiken. Ze worden op dezelfde wijze afgenomen als de DMT. Deze taken geven namelijk een goed beeld van de voortgang van het automatiseringsproces. De normen bij de controletaken van Veilig & vlot zijn eveneens in de eerdergenoemde rubriek op deze site te vinden. De 'echte' zonkinderen zullen op niveau Uitmuntend scoren. Daarnaast kan je de vorderingen van deze kinderen observeren door regelmatig een stukje tekst voor te laten lezen; daarmee krijgt een zonleerling meteen feedback (ook pedagogisch). Observatie van het zuiver schrijven kan gebeuren door woorden of een stukje tekst te laten schrijven. Deze woorden of zinnen kunnen ingelast worden in een dictee aan de maangroep, zodat de zonkinderen ook daaraan mee kunnen doen.

Geen antwoord op jouw vraag?

Leg je vraag dan voor aan onze klantendienst via onderstaand formulier. Onze medewerkers dienen je zo snel als mogelijk van antwoord.

Contacteer ons